Cees Nooteboom

De rug van de reiziger

Door Cees Nooteboom

Tot zo ongeveer mijn drieëndertigste heb ik geen rug gehad. Toen kwam ik een keer terug uit Amerika met een schip van de Holland-Amerika Lijn, iemand haalde me af, het was druk op de kade, en op de een of andere manier raakte de bumper van onze auto vast in een haak of een bumper van een andere auto. Dat leek me geen echt probleem, meer een kwestie van even tillen. Vervolgens had ik een rug, en nu, drieëndertig jaar later, heb ik hem nog. Afgezien van dat tillen, moet het ook nog iets met schuld en onschuld te maken hebben. Kinderen hebben geen ruggen, ik kan me er tenminste niets van herinneren. Misschien had ik vroeger wel helemaal geen lichaam. Dat is de paradox: een lichaam krijg je pas als je het kwaad maakt, en dat kun je op verschillende manieren doen. Je kunt er teveel drank in gooien, je kunt het te weinig laten slapen, onder druk zetten, opjagen en verwaarlozen, maar wat je ook doet of niet doet, vroeger of later komt de rekening, en dan heb je ineens een hoofd, een maag, een rug, die vanaf dat ogenblik bepaalde hoe het verder moest.

Eerst moest ik van hem naar een fysiotherapeut, waar ik op een martelwerktuig werd uitgerekt. Dat was zijn eerste wraak. Daarna deed hij een tijdje of er niets aan de hand was, en mocht ik even weer terug naar het lichaamloze tijdperk. Maar niet te lang, want in Zuid-Frankrijk werd ik op een dag wakker en kon mijn bed niet meer uitkomen, tenzij vermomd als een honderdjarige, en zo schuifelde ik dan voetje voor voetje de praktijk van docteur Depusse in Saint-Rafael binnen. Geboende vloer, grootscheeps bureau, koperen pot met cactus, foto met mevrouw Depusse, uitnodigende brancard (ik weet nooit hoe dat meest onbeddige van alle ligbedden heet dat op de kamers van artsen staat en waar altijd iets vervelends met je gebeurt waarbij je dan ook nog wordt verzocht je te ontspannen). Daar mocht ik dus op gaan liggen, en proberen mijn benen omhoog te strekken. Ik kwam niet ver. Nog geen twintig procent, mompelde de docteur zorgelijk. Hij had twee oplossingen. Of ik moest minstens twee maanden in Frankrijk blijven en heel stil gaan liggen met mijn been aan een katrol (hij maakte een vreselijke tekening) of ik moest maar meteen naar huis gaan, en dat had hij pijnstillers voor onderweg. Wat ik niet had verteld, was dat ik de afstand moest afleggen in een Austin Mini, en of het nu door de pijnstillers kwam of juist door de pijn, ik heb die dag (en nacht) het wereldrecord Saint-Rafael-Amsterdam voor honderd jarigen per mini gevestigd, ik weet het nog precies, zeventien uur en drieëntwintig minuten, en mijn rug heeft me dat nooit vergeven.

De eerste wraak was drie maanden liggen zonder het bed te mogen veraten, en dat betekent pijn en vernedering, Vanaf dat moment dateert onze eigenaardige verhouding, die in zoverre op een echte verhouding lijkt dat mij voortdurend van alles kwalijk wordt genomen. Ik doe alles fout. Ik heb het verkeerde beroep. Ik zit te lang in vliegtuigen. (Rug: wat doe je nou weer in Los Angeles? Twaalf uur in zo’n rot-stoel!).Ik lees veel. (Rug: ga dan tenminste rechtop zitten!). Ik maak reizen waar hij niets in ziet. (Rug: ik wil geen achthonderd treden naar nog een Japanse tempel, en naar beneden wil ik al helemaal niet!). Verkeerde houdingen leiden tot aberraties. De minste daarvan is de zogenaamde menage a trois. Als rug en ik het niet meer met elkaar uithouden komen er anderen aan te pas, krakers, fysiopriesteessen, masseuses, masseurs, lampen, acupuncturisten, handopleggers, balsemers en beulen uit alle hoeken van de wereld. Het meest zijn mij bij gebleven een halfnaakte man van monsterachtige omvang in een martelkamer onder een Brazilliaans hotel die mij per waterstraat uit mijn lijden wilde verlossen en daarbij dwars door mij heen spoot (hielp niet), een niet al te schone stokoude Chinees op een niet al te schoon bed op een Parijse bovenkamer die een mierenleger van naalden in mij stak (hielp niet) en een beroemde vrouwelijke Rambo Medico die mij aan mijn hals naar de slachtbank leidde en fluisterde:’ik zal even uw skelet rechtzetten’(hielp niet).

Maar de onvergetelijkste van allen was doctor Stangelove. Ik noem hem zo omdat ik zijn echte naam niet durf te noemen, al was het maar omdat het voor een arts een dodelijke naam is, want in het Nederlands zou het dokter kanker heten (niet verzonnen). Het was in een grote Europese stad, en ik was door mijn plaatselijke uitgever naar hem toegestuurd, omdat hij mij had horen kreunen. De praktijk van dr. K. was adembenemend. Alles was hagelwit, de meubels waren van neon en het licht was van wit plastic, laat ik het zo maar omschrijven. Om mij heen hing dat mysterieuze element: Hoge rekening. De prinsessen die mij inschreven op de computer hadden nog nooit gegeten of gedronken. Hun stemmen spraken niet, ze ruisten. Ik mocht tijdelijk verdrinken in een modern meubel. Daarna werd ik de kamer ingezogen van dr. K., wit haar, witte klopschoenen, witte sokken, witte jas, witte tanden. Ik voelde mij zeer schamel, slonzig en sleets. Hij deed me in een computer, of iets aan een computer, of hij had het over een computer, iets zou er uitgerekend worden omtrent mijn gebrekkige lichaam, rug zou er ongenadig van langs krijgen, en daarna  zou het nieuwe rugloze tijdperk aanbreken, de nieuwe kindertijd, de herwonnen onschuld. Toen ik de deur uitzwom had ik een papier in de hand waar alles opstond. ‘Dat kunt u dan de dokter bij u thuis laten zien’. Hij zei het op een toon of hij die dokter in het verre Holland ook voor zich zag, iemand op klompen, zittend op een melkbus met een dikke sigaar in zijn hoofd.

De dokter in Holland had een gewone kamer, met een portred van zijn moeder op de schoorsteen. Hij had ook geen prinsessen, want hij deed zelf open. Hij liet mijn geteisterde slelet een beetje zwaaien, buigen, strekken en rekken, en las de lijst van de beroemde collega uit het buitenland. Bij elk item op die lijst keek hij mij even aan en zei:’Dat zou ik niet doen als ik u was’. Daar was ik het ongezien mee eens. ‘Gaat u maar naar mevrouw X’, zei hij toen, ‘die geeft u een stuk of vijf oefeningen op, Mensendieck, die moet u elke dag doen’.

En die doe ik dus. En rug? Ik weet het niet, soms denk ik dat rug iets heeft metMensendieck, want ik hoor hem weinig de laatste tijd. Soms neemt hij me mee uit zwemmen, maar ik heb het gevoel dat we mekaar een beetje uit het oog zijn verloren.

Geschreven voor het magazine van de Nederlands Vereniging Voor Oefentherapeuten Mensendieck, april 2000